Het Nederlands
Hooiberg Museum

PROSE 2

 

En de boer, hij ploegde voort.

J(ob) van de Hoef.

(Van 1939 - 1967 boer op Gooswilligen



top home prose 1 prose 2 prose 3 prose 4 prose 5

 

EN DE BOER PLOEGT VOORT

'Hoe genoeglijk rolt het leven des gerusten landman heen '

Dit zijn woorden, eenmaal gedicht, maar wij weten niet goed wat de dichter er precies mee bedoelde. En het is ook maar waar je de nadruk op legt.

'Hoe' is eigenlijk vragenderwijs, op welke manier. 'Genoeglijk' kan iets moois, iets warms, misschien ook iets spottends zijn. 'Rolt het leven heen' betekent het steeds wentelen der jaren, het ronddraaien van lente, zomer, herfst en winter of het steeds terugkeren van ploegen, zaaien, onderhoud en oogsten. Bij 'des gerusten landman' moet ik denken aan die foto van een landman of boer die 's avonds na een lange dag zwoegen, tevreden trekkend aan zijn pijp, nog even op het hek van het weiland rust. Zijn ene voet op de plank van het hek tevreden starend naar het grazende vee in de wei, waar het jonge veulen dartelend om zijn moeder tolt, totdat alles in de nevelslierten verdwijnt.

De geruste landman weet dat regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren niet zullen ophouden te bestaan. Het kan voor hem wel eens moeilijk zijn als bij grote droogte alles schijnt te verdorren of bij extreme nattigheid alles dreigt te verrotten. Toch kan hij aan het eind van het jaar altijd weer zeggen: 'We hebben weer ruimschoots genoeg, ons ontbreekt niets.' Als we zo de dichtregels bezien, dan zit er meer in dan men zou denken. Misschien komen we er in ons verdere praatje, dat over het werken en leven van een boerengezin in deze eeuw gaat en wel van 1910-1980, nog wel even op terug.

Ter verduidelijking wil ik nog wel even vermelden dat in hetgeen verder naar voren komt misschien wel eens een woord of naam kan voorkomen die in andere streken van ons land anders genoemd of een andere betekenis hebben.

'Jonge jaren'

Mijn jonge jaren heb ik in de buurt van Ede en Bennekom beleefd en dat spreekt misschien in woord en gewoonten een sterke rol. Ik wil dan ook om te voorkomen dat alles door elkaar gehaald wordt allereerst praten over het gras, het weiland en het rundvee. Daarna het bouwland en wat daar zoal mee samenhangt en tot slot de varkens en de kippen en nog iets algemeens.

'Het gras, het weiland'

Van de eerste tien jaren van deze eeuw weet ik persoonlijk niets, maar ik meen dat de kunstmest toen al begon op te komen. Niet in de vorm zoals wij het kennen, maar voornamelijk slakkenmeel, kalizout, kaaniet (=chloorrijk kalizout). Iets later superfosfaat, zwavelzuur en ammoniak. Vóór die tijd gebruikte men alleen stalmest, die aangevuld was met heideplaggen of met zwarte grond in de schaapskooien of die buiten werd verplozen (= met grond vermengd). Hiervoor zocht men een bult, daar ging de zode vanaf dan spreidde men een laagje mest, dan een laagje grond, zo om en om tot ca. een meter hoog. De hoop was ongeveer vier meter breed en zo lang als nodig was. Het geheel werd in de lente omgezet en fijn gemaakt en werd daarna over het land uitgereden. In enkele schaapskooien zie je nog wel eens een hele rij streepjes gekrast waaraan af te lezen was hoeveel vrachten mest er uit gekomen waren.

De mest uit de koeienstal noemde men wel spikmest. Tegen één kar spikmest moesten vijf karren grond gemengd worden. Vaak zag men boerderijen vroeger enigszins in een gat liggen. Men zei dat het was om te voorkomen dat de gier weg zou drijven. Men had vroeger namelijk alleen potstallen die steeds werden bijgevuld met plaggen en die geen groep of put hadden. Het gebeurde tegen de lente dan ook wel eens dat de koeien zo laag stonden dat ze met de kop nog net in de zul (= voerbak) konden komen om te eten. Men hield de koeien 's nachts altijd binnen om zoveel mogelijk mest te kunnen opvangen. Had een boer vroeger 10 - 15 koeien, dan was hij een heel grote boer.

Voordat de melkfabrieken er waren, werd de melk op de boerderij verwerkt tot boter en kaas, waar men dan mee naar de markt ging. Ook werd nog wel eens een kalf op het mesthok gezet, maar die hadden het niet zo comfortabel als tegenwoordig, want die moesten hun hele leven lang in het pikdonker in kleine bedompte hokjes staan, anders werd het vlees rood, wat je kon zien aan de ogen.

Dat er grasland gescheurd werd, was vroeger iets zeldzaams. De hoge grond was bouwland en de lage gras. Gras kon op de hoge grond met de beperkte meststoffen niet groeien. Bij veel boerderijen lag dicht bij huis of rond het erf de zogenaamde koewei, waar jaar en dag alleen de koeien graasden. Grasland werd in het voorjaar gemest met vooral pluismest of spikmest (= 1 kar mest vermengd met 5 karren grond) en gesleept met twee lange takkenbos­sen van ongeveer 2 meter en verbonden met palen vooraan en een stuk draad, waaraan de ketting met oosthout of evenaar moest worden gehaakt.

Was de mest droog, dan kon men de sleep verzwaren met enkele palen. Lag er veel stro uit de mest op het land, dan werd dat afge­harkt en weer verstrooid.

Was het hooibouw, dan moest het gras rijp zijn d.w.z. het stuifmeel moest stuiven, dan werd de zeis gehaard. Vroeger had men alleen een zeis met rechte boom met 2 dollen, 1 onder en 1 aan de zijkant. Later kwam de kromme boom met 2 dollen op de boom. De zeis moest zo dun zijn, dat hij over de nagel liep, en zo glad dat er een druppel water overheen kon lopen.

's Morgens, soms voor zonsopgang, kon men dan allerwegen de zeis horen strij­ken met de streeksel en hier en daar het getik van de haarhamer. Men liet het gras een paar dagen besterven en dan soms met de hark het zwad (= snede gras, met de zeis gemaaid) keren. Later met de geval uitschudden en met de hand wijnden of keren, dan op een keutje of een windopper. Weer er door en dan droog aan een grote opper of meteen naar binnen. Het harken of schoonharken deed men met de hand met de hooihark. Iets later kwam de trekhark of ezel, een ijzeren hark met lange tanden en houten stok met een handvat om te trekken. Dat was al een hele verbetering want je kon dan onge­veer anderhalve meter meenemen. Hooibroei kwam in die tijd weinig voor. Daar was het hooi meestal te oud voor.

De nawei of etgroen kwam meestal moeilijk op gang. Iets later, toen de kunstmest kwam, ging dat beter.

"DE KOMST VAN DE KUNSTMEST"

In de jaren 1920 - 1930 werd de kunstmest algemeen. Had men geen stalmest genoeg, en dat was vooral op gronden die verder van huis lagen, dan kon men met 1 kilo slakkenmeel en 1 kilo kalizout 20% al aardig uit de voeten.

Eerst ging dat zaaien met de hand, daarna met de kolenschop vanaf de wagen of de kar. Ook waren er toen al kunstmeststrooiers.

Voor rogge en haver gebruikte men ook 1 kilo slakkenmeel, 1 kilo kalizout 20% en later 2 kilo kali 40%. Voor aardappels was een volledige bemesting voor honderd roeden 100 kilo super, 100 kilo patentkali en 50 kilo zwavelzure ammoniak. Voor bieten slakkenmeel, kali en chilisalpeter plus stalmest en gier.

De hogere grond was bouwland en daar, meende men, kon je geen grasland van maken. De zode was toen veel dikker en taaier dan tegenwoordig, muur(= onkruidsoort) zag je in grasland nooit. Eind jaren dertig begon men al met inkuilen met bietenblad en knollen, ook wel gemengd met gras. Men maakte een ronde hoop een paar meter hoog en die moest dan eerst broeien en daarna kon men door werken, dan broeide het wel verder. Men deed daar ongeveer een week over en hoe beter het broeide, meende men, zoveel te beter de kwaliteit.

Eind dertiger jaren en begin jaren veertig kwamen de betonnen ronde silo's als paddestoelen uit de grond. Men had daar mallen voor gemaakt om beton te storten en daar zette men een houten opzetstuk van twee meter bovenop. Dan was de hoogte vier meter. Was die na een goede broei vol, dan hield men twee meter in de silo over waar dan 80 cm - 1 m grond op moest.

De betonfabriek in Ede maakte toen platen van 3 meter hoog en een halve meter breed; die werden rechtop in een cirkel met een doorsnee van 4 meter gezet met 3 ijzeren banden er omheen. In de voorkant 2 platen van 1 meter met 2 betonnen palen, waar men houten balken in kon plaatsen en waardoor men later het voer er uit kon halen.

Om het voer zo goed mogelijk te consumeren en minder stank te krijgen, gebruikte men A.I.V.-zuur dat verdund met water met een gieter over het gras gesproeid werd. Het beste was een houten gieter en oude kleren, want elke spat op je kiel of broek werd een gat. Later kwam de melasse, dat ging weer beter.

Toen kwam de hardeland (=soort hakselmachine), die sneed het gras aan stukjes en werd het in de silo geblazen. Het gras werd eerst op wagens geladen - soms 10 - 12 vrachten  en dan achter elkaar in de silo; dat was nog echt ouderwetse burenhulp.

In de oorlogsjaren hadden we in Woudenberg ook een grasdrogerij. Men moest dan het gras maaien en op weeltjes (= een dijkje gras) harken, dan kwamen uit Woudenberg een paar grote wagens met paarden om het gras op te laden en werd later als gedroogd gras in balen of als grasmeel in papieren zakken weer afgeleverd.

Toen kwamen de opraapwagens en het voordrogen. De voorlichtingsdienst vond telkens weer iets uit en volgens hen steeds beter. De silo's stonden bij de meeste boeren op nonactief en de meesten zijn later weer afgebroken.

Er werd een lange hoop gemaakt met plastic erover, daar grond op, eerst met de schop maar later met de kraan. Nu hebben we in plaats van de ronde silo's de sleufsilo's gekregen en wat zullen we in de toekomst krijgen? Ik weet het niet, wel beginnen ze nu met de ronde of vierkante balen, maar de resultaten zijn nogal verschillend.

"HOOILADEN EEN VAK APART"

In de jaren dertig werd het meeste gras nog gemaaid met de zeis, maar hier en daar kwam al een maaimachine. Eerst een éénpaards. Ik weet nog dat rond 1930 Rik van de Weerd, de latere grote stalhouder in Ede, met een éénpaards maaimachine begon te loonmaaien voor anderhalve cent per roe.

Al gauw kwamen de tweepaardsmachines, de Zweedse Aros, de Duitse Farr- en de Kruppmachines en de Hollandse Cormic. In de jaren 40 verving de motormaaimachine het paard en dat had aan voordeel, stond namelijk de machine stil door een verstopping dan kon het mes door lopen. Ook waren er toen de tractoren met een maaibalk en later de ciclomaaier, die we nu nog hebben.

Wat het hooien betreft, daar is ook wel wat veranderd. Vroeger, in mijn jonge jaren, ging alles los naar binnen op de balk en de hilten, later in de berg. De kleine boertjes haalden het hooi binnen met de stortkar, de anderen met de boerenwagen. Goed hooiladen was een vak apart. Vijf tot zes lagen en voor en achter gedraaide rollen. Moest men een stuk van de boerderij, dan ging de weversboom er op of anders een dubbel touw, een achtertouw en een voortouw met haak.

Later kwam de balenpers, eerst hoofdzakelijk de lage druk, toen de hogedrukbalen, maar door de voordroogmethode van het inkuilen wordt er tegenwoordig heel weinig meer gehooid. Door de intrede van de kuilvoersnijder heeft men veel minder arbeid met inkuilen dan met hooien. Ook in de ligboxenstallen is kuilvoerblokken minder arbeidsintensief dan hooibalen of los hooi.

"Het bouwland"

 

Nu gaan we eens na, wat er zo allemaal op het bouwland veranderd is. In de jaren 1900 - 1930 meende men dat het hoge land of de engen bouwland moest blijven. Daar werd hoofdzakelijk rogge, haver en boekweit verbouwd, maar met de komst van de kunstmest liep de verbouw van boekweit terug. Na de twintiger jaren zag men maar sporadisch boekweit meer. Rogge - winterrogge met als bekendste soort Petkuzer - was toen het hoofdgewas. Later werd ook veel zomerrogge verbouwd.

In de tweede helft van september, later werd dat oktober, zaaide men de winterrogge. In november werd er geen rogge gezaaid, want dat was de springmaand. Late winterrogge werd, als het enigszins kon, gezaaid tweede helft

december. De opbrengst van zomerrogge was gemiddeld iets minder dan van winterrogge.

Vroeger zaaide men alles met de hand. Rogge op de 5 à 6 voren en haver en gerst op de 7 voren. Dat was ook weer een vak om het zaad er zo gelijk mogelijk over te zaaien.

Er was eens een boer die zei: "Hoe chagrijniger mijn knecht, des te mooier zaait hij."

Zaaihaver was vroeger de Zeghehaver, later ook de Marne.

Toen de groepstallen met de gierputten kwamen, had men niet zoveel mest meer, maar met kunstmest ging het ook. Als men last van onkruid had, gebruikte men ook wel kalkstikstof voor onkruidbestrijding. Het was best spul, maar heel vies om met de hand te zaaien.

In de 20-er jaren kwam de zaaimachine. Dat ging veel beter en men had minder zaaizaad nodig. En als het nodig was, kon men schoffelen.

Maaien ging met de zicht en de mathaak. De rogge werd gebonden met onder en boven een kruisband; haver en gerst met één band. Dan werd het aan de gast gezet. Die gasten moesten zo recht mogelijk over het land. Rogge zette men wel aan de kanten. Dan moest midden op het land een dreef spurrie of knollen gezaaid worden. Als de roggebouw goed was, haalde men 4  - 5 vim (vim is 100 garven) van de 100 roeden oftewel een schepel. 600 roeden was een morgen en 700 roeden een bunder. In onze streek sprak men meer in morgens dan in bunders.

Roggegasten waren 10 garven en haver 10 of 8 (dat noemde men 'hokken').

Boekweit werd gezaaid rond 25 mei. Met de zicht gemaaid, zoveel mogelijk in de dauw gebonden met roggestro en gegast, dat was om verlies van zaad te voorkomen. Een goede binder of bindster kon 2 maaiers bijhouden en soms nog op gasten zetten ook.

De korenbouw was altijd een mooie tijd. Overal hoorde je het strijken of haren van de zicht en zag je de mensen maaien, binden en gasten. Dan was van toepassing het  mooie lied: "Sikkels blinken, sikkels klinken, ruisend valt het graan, ziet de bindsters garen, 'k zie een lange schare garf bij garve staan..." 

Meestal werd bij goed weer gemaaid tot bijna zonsondergang en dan werd nog gegast. Was het donker geworden dan ging men ter ruste om kracht te verzamelen voor de volgende dag.

Rogge was bij goed weer gauw droog en kon dan gemengd worden. Haver en gerst moesten langer drogen om schimmel en broei te voorkomen. Was de rogge binnen, dan zaaide men meestal in het stoppelland herfstknollen - de gele boterknollen of de ronde blauwkop. Later de Halflange en nog later de Jobe. Er zijn ook nog wel proeven genomen in het stoppelland met boterzaad en mergkool, maar dat was geen geweldig succes. In de haverstoppel kwam meestal weer winterrogge.

Het dorsen van het koren was vroeger handwerk. 's Morgens vroeg vanaf 2 of 3 uur werd gedorst op deel. Zat de rogge in de berg dan werd in de berg ingebonden. Ongeveer 25 garven kop aan kont werden met een touw onder de laan van de kap naar beneden gelaten en op de rug van een ander naar binnen gedragen. Dan werd de rogge uitgespreid blees op blees en dan ging men met de vlegel of het kromme hout aan het dorsen. De rogge werd dan nog een keer omgelegd en men ging er nog een keer met de vlegel over. Het stro werd er uitgeschud en opgebonden, het koren ging in zakken om later in de wanmolen geschoond (= gezuiverd) te worden.

Bij grote boerderijen zag men ook wel een rosmolen waar 1 of 2 paarden aan een lange balk in de rondte moesten lopen, waardoor dan op een as met kamwielen en een excentriek op deel een soort dorsmachine in werking kwam, waarmee de garven gedorst werden. Men kon er ook een kort- of hakselmachine aanzetten om het stro snijden voor de paarden.

Bij kleine boertjes gebruikte men soms een andere methode: een houten ton werd in een hoek gelegd en een zak meel of een zak koren er voor om wegrollen te voorkomen. De bovenband van de garf werd losgemaakt waarna de garf over de ton werd geslagen net zolang tot het koren er uit was. De ondereinden werden met de vlegel of het kromme hout bewerkt.

In de twintiger jaren kwam de dorsmachine. De eerste die ik weet, had Van Essen uit Veenendaal. Een dorskast met een soort locomotief ervoor. Het stro kwam achter op een strobord en moest met de hand gebonden worden door 4 à 5 binders. Je stond altijd in het volle stof en vond het aangenaam als de boer met de zwarte kat oftewel de borrel langs kwam. Ook had men wel zware motors op een wagen en al gauw kwamen de tractoren. Eerst op ijzeren wielen en later op luchtbanden.

Voor het strobinden kwam eerst de losse strobinder die achter de dorskast gezet werd, dat was een hele verbetering, maar het overhuizen was een enorm spektakel. Voor de tractor zijn intrede deed, moest men met de paarden de kast en de motor en de binder overhuizen. Later bouwde men de binder aan de kast en nog weer later kwam de balenpers er achter.

Rogge dorsen kostte 35 cent per mud (= 70 kg) en haver dorsen 25 cent per mud (= 50 kg).

In de jaren zestig deed de combine (= maaidorser) haar intrede en raakte de dorsmolen op de achtergrond om geleidelijk aan te verdwijnen in de historie. Dat zou nu ook niet meer gaan, want met het dorsen en strobinden had men toch altijd zo'n 14 à 15 man nodig, en waar zou men die nu vandaan moeten halen.

Voederbieten of mangels zaaide men de tweede helft van april. Bij ons was dat eerst de Ekkendorver en later Groenkraag, Jaapjesbiet en nog weer later de Barres. Ik handelde vroeger in de beginjaren '30 in zaai- en pootgoed. Ik kwam toen bij een boer die Ekkendorver bestelde, want zei hij: " Het water van de biet is zeker beter dan uit de pomp."

Koolrapen werden weinig verbouwd. Soms een klein stukje voor planten om in te poten op het bietenveld, want koolraapplanten waren beter dan bietenplanten om in te poten.

Aardappels werden vroeger alleen verbouwd voor consumptie. Enkele vroege rassen: Gelderse Muisjes, Eigenheimers, de Gele of de Blauwe en Schotse Muis. Late rassen: Rode Star of Bonte Star, Bravo, Veense Wolkammer en later Noordeling. In de 30-er jaren begon men ook met voederaardappelen, de Alva en de Voran. Die werden dan 's winters met de bietenmachine gesneden voor de koeien, later ook wel gestoomd voor de varkens.

Het rooien ging vroeger altijd met de greep. De aardappels gingen op de sprei om te drogen en werden dan gesorteerd en opgeraapt. Soms hield men eigen pootgoed. De aardappels die daarvoor moesten dienen werden apart gelegd. Er werden 1 à 2 zakken nieuw pootgoed gekocht waarvan men dan weer poters aanhield voor het jaar daarop.

Ik weet nog dat aardappelland gespit moest worden met de puntschop. Er werd een dubbele grup gespit, met de plaggenhak werd ingeschoept en dan kwam er een goede steek bovenop. Later werd het werk met de ploeg gedaan, maar dan kwamen er 2 voren op elkaar. Ja, men was vroeger niet bang voor een beetje meer werk.

Het aardappelland moest bemest worden met lange varkensmest, koeienmest verslechterde de smaak. Toen de kunstmest kwam, strooide men 100 kg patentkali, 100 kg superfosfaat en 50 kg zwavelzure ammoniak, dat was een volledige bemesting voor 100 roe. Half april werden de aardappels gepoot, eerst met het poothout 1 rij later 2 rijen en soms op lichte grond 3 rijen.

Vroeger pootte men op afstand 50 - 50, later 50 - 60 in verband met schoffelen en aanploegen. Was de opbrengst een half mud van de roe, dan was men goed tevreden.

Rooide men eerst met de greep, later deed men dat met de tractor met de machine die de aardappels op rijen gooide en dan opgeraapt konden worden.  Nu gaan ze direct op wagens of karren. Dit waren enkele grepen over het bouwland en wat daarmee samenhangt.

Nog even iets over het ploegen. Vroeger kende men bij ons alleen de houten blauwbalkploeg. In de dertiger jaren kwam de ijzeren ploeg van de Veldkoning en ook de wentelploeg en de kiepploeg. Later kwam de tractor, met daarachter een ploeg met één of twee scharen. Nu rijen de scharen zich aaneen.

Na het ploegen werd het land geëgd. Eerst was er alleen de houten egge, een handegge, 4, 5 of 6 balks met houten pinnen, later met ijzeren pinnen. Daarna kwamen de ijzeren eggen en de onkruideggen. Tegenwoordig zie je ze niet meer in gebruik.  

"De varkens"

Nu gaan we eens kijken naar de varkens. In de jaren 1900 -1920 kende men bij ons alleen het Nederlands Landvarken in de kleuren wit, blauw-bont en in zwart. Later kwam daar het Yorkshire (Engelse Stikoor) bij. Die waren voor sommige mensen wat te wijs, ze konden je veel te goed zien, vooral met het ringen. Met dat ras begon men toen te kruisen en dat leverde een goed sterk big, half stik- en half langoor.

In deze eerste jaren kenden we nog geen betonnen vloeren en werden de varkens gehouden in de mesthokken.Men probeerde die droog te houden met stro of heiplaggen en zwarte grond. De varkens zijn goede mestmakers en ze moesten dan wel een ring op de neus hebben, want anders ging het hele hok ondersteboven.

De zeugen liepen zoveel mogelijk buiten; moesten ze biggen, dan werden er een paar stukken sliet (= ronde ruwe balk) in de hoek vastgemaakt, 30 cm hoog van de grond . Daar konden de kleine biggen achter kruipen om doodliggen te voorkomen. Lampen om de biggen warm te houden, waren er nog niet, alleen een stormlantaarn. Waren de biggen soms een beetje slap, dan gingen ze in de stoof op een doos bij de kachel. Met 4 à 5 weken werden de beren gecastreerd en werden ze in een afgeschoten stuk van het hok een beetje bijgevoerd met licht gebroeide havermout vermengd met ondermelk. De zeugen kregen maïsmeel en gerstemeel en als het er was een beetje gras. Op het fornuis werd een pot gekookt gevuld met krielaardappelen, bietenblad, schillen en afvalgroente. Als het aan de kook was dan mengde men er wat maïsmeel en zemelen door en werd het aan de varkens opgevoerd.

De mestvarkens kregen maïsmeel en gerstemeel met wat zemelen en ondermelk. In die jaren bracht een big ongeveer 8 - 10 gulden op en een varken van 100 kg " 45 à 50 gulden. Nu krijgt men voor een big ca. / 100,-  en voor een varken / 340,-.

Toen de betonnen vloeren en de gierputten kwamen, was de arbeid een heel stuk minder. Ook minder mest, maar dat werd goedgemaakt door de kunstmest. In 1931, het crisisjaar, brachten de biggen op het laagst / 2,50 à / 3,= per stuk op en een zouter van 90 kg 8 cent per pond. Toen de crisisorganisatie kwam, waren de biggen in 1 week boven de / 10,= en was de prijs voor de varkens verdubbeld.

Na de oorlog is de varkensstand gestadig uitgebreid; de schuren werden groter totdat ze nu, uitgerust met computers en machines, uitgebreid zijn tot kleine fabrieken. Men kent zijn dieren niet meer zoals vroeger, ze worden net als de mensen in de grote fabrieken tot nummers.

"De kippen"

Nu gaan we nog even kijken naar de kippen; dat was voor mij altijd maar een beetje hobby. De kippen werden vroeger maar op de koop toe erbij genomen. Men trof ze veel aan bij de boeren op de hilt (= zoldering boven een stal). Daar was dan een stuk afgezet. Door een gat in de muur konden de kippen via een laddertje langs de muur naar beneden (op boerderij de "Wittenberg" zie je de opening in de muur nog). Men hield kippen en een paar hanen om in de lente, als er broedse kippen waren, een paar te laten broeden om weer aan te vullen. Men hield vroeger alle rassen door elkaar: Barnevelders, Witte Leghorn, Plymouth, Menorca, Patrijs, Ceyhorn en Wyandotte. Later kwamen er de Islands Red en New Hampshire bij.

In de twintiger jaren begon men al in het klein machinaal te broeden. Een broedmachine voor 200 - 300 eieren die werd gestookt met petroleum. Later kwamen de elektrische broedmachines. Toen kwamen ook de echte kippenhokken. Eerst in het klein met een paar zitstokken en een paar sinaasappelkistjes voor de eieren. Later met een mestplank onder de zitstokken; dan kon het hele hok voor de scharrel gebruikt worden. Maar men moest wel als het goed was 1 à 2 maal in de week de mestplank schoonhouden en spuiten met creoline tegen de luis. De kippenhokken werden allengs groter en groter. Het bestrijden van kippenziektes zoals snot, pokken en difterie was een hele toer. Later kon men daartegen inenten, dat was een hele vooruitgang. 

In de dertiger jaren kwam de pullorem-ziekte en moesten de kippen voor broedeieren onderzocht worden: Een druppel bloed op een verwarmd glaasje moest aangeven of ze vrij waren van pullorem. In die tijd begonnen de Japanners met het sexen van kuikens (= haantjes en hennetjes scheiden) en werden hier in Holland cursussen gegeven en konden alleen de hennetjes aangehouden worden en de haantjes vernietigd.

In de oorlogsjaren bleef er van de pluimveestapel niet veel over. Daar er geen voer meer aangevoerd werd, moest bijna alles opgeruimd worden. Na de oorlog kwamen de fokbedrijven en de vermeerderingsbedrijven en begon men met de slachtkuikens. Eerst met Noordhollandse Blauwe later ook de Sussex, de Cops en de Arrows en de Hybro. Een bekende kuikenbroeder in onze omgeving Lup Mulder in Voorthuizen.

De kuikenmesterijen en vermeerderingsbedrijven werden steeds groter, de vrije pluimveehouders daarentegen verloren steeds meer terrein.

Kwamen vroeger alleen de ziektes zoals snot, pokken en difterie voor, later kwamen daar de vogelpest, bronchitis en de leverziekte bij. Om de pluimveestapel nog rendabel te houden, werden de hokken nog groter en richtte men ze in met legbatterijen. Daar de meeste eieren aan huis worden opgehaald en de kleine pluimveehou­ders geen bestaan meer hebben, zijn de meeste eiermarkten opgehe­ven. Scherpenzeel, dat bijna de grootste eiermarkt van Nederland had, moest ook het loodje leggen.

Vroeger zei men wel eens: "Als de prijs van een pond voer gelijk is aan 1 ei, dan zit het wel goed". De eieren zouden dan nu ruim 30 cent op moeten brengen, en daar mankeert het nog wel aan. De veel hogere produktie, de betere huisvesting en de kwaliteit van het voer hebben de kostprijzen per ei wel een stuk doen dalen, maar als men dan de melkprijs en de prijzen van de varkens en de voerprijzen vergelijkt met de prijzen van 20 à 30 jaren terug met de eierprijzen van toen en nu, dan komen de eitjes er wel zeer bekaaid af. Dan moet de grote hoop het goedmaken of de kleine pluimveehouder gaat nog sneller naar de kelder.

Om nog een vergelijking te trekken: rond 1900 verdiende een arbeider / 0,60 per dag (van 's morgens 5 uur tot het donker werd). In 1926 verdiende ik als boerenknecht / 70,- per jaar. Nu in 1997 werkt daar menigeen nog geen uur voor.

Tot slot

In de vorige afleveringen hebben we kort teruggeblikt naar het reilen en zeilen op de boerderij in vervlogen dagen. We hebben gekeken naar een eeuw agrarisch leven. Misschien moeten we vaststellen dat de volgende eeuw toch nooit zoveel veranderingen kan brengen in het boerenleven dan in de afgelopen 4 - 5 generaties. We zijn van handwerk overgegaan op mechanisatie en op automatisering. Waar vroeger op elk bedrijf zo'n 2 - 4 man werkten, praat men thans van een eenmansbedrijf. Het lijkt allemaal wel heel mooi, maar ik vind dat de bedrijven, vaak sterk gespecialiseerde bedrijven, erg kwetsbaar zijn geworden. De automatisering en de bedrijfshulp hebben wellicht veel goeds gebracht, maar de gezelligheid en de samenwerking binnen een gezinsbedrijf moet je toch wel missen, lijkt me. Waren we vroeger bijvoorbeeld aan het rogge maaien, dan ging dat door tot negen uur 's avonds en moesten de gasten vaak nog opgezet worden. Er was dan zelfs nog wel tijd om even bij de buren te kijken hoeveel vim (= 100 garven) zij gemaaid hadden.

Ook de noaberhulp was beter. Met ziekte was er altijd wel iemand bij de buren over om te helpen. Dat ging over en weer, zeker bij het dorsen en het inkuilen, dan was de hele buurt present. Zulke dingen zijn nu met de eenmansbedrijven niet meer mogelijk. Er is in onze moderne tijd een heel stuk gemoedelijkheid verdwenen. Maar wat er door de jaren heen ook is veranderd, de veelzijdigheid van een goede boer blijft. Volgens Dendermonde is de veelzijdigheid van een goede boer groot. Hij moet zijn: chemicus, technicus, koopman, bioloog, manager, boekhouder, organisator en wetenschapper. Zijn vrouw moet bij dit alles ook nog huisvrouw zijn.

Je vraagt je wel eens af hoeveel boeren er in de toekomst nog overblijven. Zullen de prijzen nog zodanig zijn, dat er nog een boterham mee te verdienen is? Vergelijk ik de prijzen van 40-50 jaar geleden, dan zie ik dat de melkprijs vertienvoudigd is en dat de varkens zes tot acht keer zo duur zijn, maar dat de prijs van de eieren nog niet verdubbeld is.

Is het nog mogelijk dat een jonge boer het bedrijf van vader nog kan overnemen?

Ik hoorde eens een dominee in zijn preek zeggen, dat de stof heel rijk is, maar de tijd beperkt. Zo vergaat het mij ook, ik zou nog wel meer kunnen schrijven over het boerenleven. Maar ik laat het hierbij. Ik vond het fijn om nog wat oude herinneringen op te halen, want al ben je dan zelf niet actief boer meer, toch leef je nog steeds mee met de boerenstand.

J(ob) van de Hoef.

(Van 1939 - 1967 boer op Gooswilligen . Daarna woonachtig in Scherpenzeel.
top home prose 1 prose 2 prose 3 prose 4 prose 5